De geschiedenis na 1949

De verovering van de SinaÔ

De enige die voordeel leek te hebben behaald uit de oorlog van 1948 was koning Abdoellah van JordaniŽ. Zijn op Britse leest geschoeide leger had zich meester gemaakt van de Westelijke Jordaanoever en Oost-Jeruzalem. Abdoellah neigde tot vrede met IsraŽl. Maar in 1951 werd hij aan de voet van de Al-Aqsa-moskee in Jeruzalem door een extremistisch islamiet vermoord.

IsraŽl was stevig verbonden met het westen. Premier Ben Goerion besefte, dat zijn kleine landje militair en financieel afhankelijk was van de Verenigde Staten. Tegenover de Arabieren volgde hij een harde lijn; hij geloofde niet dat er vrede met de Arabieren mogelijk was en nam ook geen initiatief in die richting. Tussen 1949 en 1956 telde IsraŽl 12.000 Arabische aanslagen en aanvallen, met ruim 1300 doden aan IsraŽlische kant. De Egyptische leider Gamal Abdel Nasser wakkerde die agressie aan, en IsraŽl antwoordde door Egyptische installaties in Gaza onder vuur te nemen. De spanning steeg met het jaar. Zij kwam tot uitbarsting in 1956. In een krijgsplan dat samen met de Britten en Fransen was opgezet, veroverde IsraŽl de SinaÔ. Heel de wereld reageerde verontwaardigd over dit imperialistische optreden. Na een week bewerkstelligden de VN een wapenstilstand. Onder sterke Amerikaanse druk trokken Britten en Fransen zich uiteindelijk terug, net als de IsraŽli's. In 1957 kwamen er VN-blauwhelmen om de IsraŽlische-Egyptische grens te beveiligen.

De zesdaagse oorlog van 1967

In het voorjaar van 1967 bereikte de spanning tussen IsraŽl en zijn buurstaten een hoogtepunt. Het aantal grensincidenten nam sterk toe. Door de gedachte dat een Arabische federatie IsraŽl zou verpletteren, voelde IsraŽl zich sterk bedreigd.

In mei 1967 werd er gespeculeerd over een IsraŽlische aanval op SyriŽ. Dit land deed beroep op Egypte en zijn leider Nasser mobiliseerde zijn leger in de SinaÔ. Hij vroeg aan de Verenigde Naties om de blauwhelmen weg te halen van de Egyptische-IsraŽlische grens, wat prompt gebeurde. Koning Hoessein van JordaniŽ tekende eind mei haastig een defensieverdrag met Egypte, waar Irak zich meteen bij aansloot. Bovendien sloot Nasser de enige directe zeeverbinding tussen IsraŽl en AziŽ; het Suezkanaal was al verboden vaargebied.

Voor IsraŽl waren deze Arabische stappen de signalen dat de vijand op het punt stond aan te vallen. Daarom besloot het IsraŽlische kabinet onder Levi Esjkol om zelf de eerste klap uit te delen. Op 5 juni 1967 viel het IsraŽlische leger de buurlanden aan. Op de allereerste dag werd de luchtmacht van Egypte al uitgeschakeld, gevolgd door de luchtstrijdkrachten van SyriŽ en JordaniŽ. Daarop versloegen de IsraŽli's de Egyptische landmacht in de SinaÔ. Nassers troepen moesten zich in aller ijl terugtrekken achter het Suezkanaal. JordaniŽ werd verdreven tot over de Jordaan. Ten slotte veroverden IsraŽlische troepen de Golanhoogte op SyriŽ. In zes dagen tijd was dit alles gebeurd.

Met de uitkomst van deze Zesdaagse Oorlog plaatste IsraŽl de wereld voor onveranderlijke feiten. Heel het schiereiland SinaÔ, inclusief de Gazastrook, was buitgemaakt, net als de Westelijke Jordaanoever met Oost-Jeruzalem, en de Golan. De verovering van het oude stadsdeel van Jeruzalem, met de Klaagmuur, was van emotionele betekenis voor de joden. De IsraŽlische regering liet weten deze stad nooit meer op te geven.

Door de verovering van de Westoever en de Gazastrook kwamen de ongeveer anderhalf miljoen Palestijnen die daar woonden, onder IsraŽlische bezetting te leven. Er was ook een nieuw vluchtelingendrama bijgekomen: naar schatting 300.000 Palestijnen weken van de Westoever en Gaza uit naar JordaniŽ, en tachtigduizend SyriŽrs verlieten de Golan.

In november 1967 nam de Veiligheidsraad van de VN resolutie 242 aan. Zij eiste terugtrekking van IsraŽlische strijdkrachten uit de bezette gebieden; en erkenning van de soevereiniteit, territoriale onschendbaarheid en politieke onafhankelijkheid van alle staten in het betrokken gebied en van hun recht in vrede te leven binnen veilige en erkende grenzen; en bevestigde de noodzaak van een rechtvaardige regeling voor het vluchtelingenvraagstuk.

IsraŽl verklaarde zich bereid de bezette gebieden - behalve Jeruzalem - terug te geven, in ruil voor erkenning en vrede. In de Arabische wereld bestond er echter geen enkele bereidheid om hierop in te gaan. De VN-resolutie werd nooit uitgevoerd.

De Palestijnen in Oost-Jeruzalem kregen de IsraŽlische nationaliteit maar werden tot op heden nooit gelijkmatig behandeld. De overwinning in de Zesdaagse Oorlog gaf aan IsraŽl overmatig zelfvertrouwen. Een zekere arrogantie verminderde de bereidheid om de bezette gebieden op te geven. Bovendien speelden, naast het veiligheidsmotief, religieuze en nationalistische motieven een steeds grotere rol in de IsraŽlische politiek. De Westelijke Jordaanoever, vormde voor orthodoxe joden in hun ogen een integraal onderdeel van IsraŽl.

De verslagenheid van de tegenstanders was diep. Er waren bijna 15.000 Egyptenaren en SyriŽr gedood tegenover duizend IsraŽli's. Nasser kwam de nederlaag niet meer te boven en overleed in 1970 plotseling. Ook de regimes van SyriŽ en Irak hadden gezichtsverlies geleden hetgeen bijdroeg aan een machtsovername in SyriŽ, een coup in Irak en in LibiŽ werd de koning afgezet. Alles duidde op radicalisering van de Arabische regimes. En nu kwamen ook de Palestijnen in beweging.

De opkomst van de PLO

Tot aan de Zesdaagse Oorlog hadden de Palestijnen lijdzaam gewacht op het moment dat de Arabische landen IsraŽl militair zouden hebben verslagen. Hoewel veel Palestijnen zich hadden gevestigd in de buurlanden, bleef het grootste deel wonen in de vluchtelingenkampen van de UNRWA*. Aanvankelijk waren het tentenkampen; geleidelijk werden er woningen van baksteen of beton gebouwd en kwamen er scholen, fabriekjes, hospitalen en andere voorzieningen. Maar de levensomstandigheden bleven vaak erbarmelijk slecht. In 1968 stonden er ongeveer 1,3 miljoen Palestijnse vluchtelingen bij de UNRWA geregistreerd, inclusief diegenen die na de Zesdaagse Oorlog waren uitgeweken. De Arabische landen gaven de Palestijnse vluchtelingen nauwelijks kans te integreren in hun samenleving. Alleen in JordaniŽ kregen Palestijnen het staatsburgerschap en vonden de meesten werk.

Er ontwikkelde zich een afzonderlijk Palestijns nationalisme. Al in 1964 was op initiatief van de Arabische Liga de PLO opgericht, de Palestinian Liberation Organization. Haar handvest noemde Palestina een onverbrekelijke eenheid; guerrilla-actie vormde de kern van de bevrijdingsoorlog, een nationale plicht om de 'zionistische imperialistische invasie' terug te drijven. De deling van Palestina en de vestiging van de staat IsraŽl werden nietig verklaard, aangezien die in strijd waren met de wens van het Palestijnse volk. Het ideaal van de PLO was een seculiere staat Palestina waarin moslims, joden en christenen zouden samenleven.

Los van de PLO waren er enkele Palestijnse guerrillaorganisaties actief, zoals El Fatah ('de overwinning') van Yasser Arafat en het marxistische Volksfront voor de Bevrijding van Palestina van George Habasj. De ze laatste predikte niet alleen de bevrijding van Palestina, maar ook de revolutie tegen de conservatieve Arabische regimes. El Fatah groeide na een bescheiden begin uit tot de belangrijkste gevechtsgroep en in 1969 kreeg Arafat ook de leiding over de PLO, waardoor El-Fatah en de PLO praktisch fuseerden.

Het Volksfront ging ook operen onder de hoede van de PLO, maar trok zich niets aan van de PLO-richtlijnen.

De PLO hield zich niet alleen bezig met het trainen van guerrillastrijders; zij organiseerde ook de bouw van scholen, hospitalen en bedrijven in de vluchtelingenkampen. Geleidelijk aan werd de PLO door velen gezien als de regering in ballingschap voor de Palestijnen.

De PLO en het Volksfront wilde met hun terroristische acties de aandacht van de wereld vestigen op het droeve lot van de Palestijnen. Begin jaren zeventig pleegden Palestijnse guerrillastrijders een reeks van aanslagen op IsraŽlische doelen

In JordaniŽ kwam het in 1970 tot een uitbarsting tussen de regering en de PLO-strijders. Dit land bestond voor tweederde uit inwoners van Palestijnse afkomst. De Palestijnse commando's vormden een staat in de staat, en een directe bedreiging voor de wankele troon van koning Hoessein. Die vreesde bovendien wraakacties vanuit IsraŽl. In september 1970 liet Hoessein in ťťn klap weten wie er de baas was. Met veel bloedvergieten verdreef zijn leger de PLO-commando's uit de hoofdstad Amman. Ook liet hij zijn luchtmacht de vluchtelingenkampen bestoken. Er vielen drieduizend doden, zodat men sprak van 'Zwarte September'. De PLO-leiding trok grotendeels weg uit JordaniŽ en streek neer in Libanon.

Een van de beruchtste Palestijnse terreuracties was de gijzeling van de IsraŽlische atletiekploeg tijdens de Olympische Spelen in MŁnchen in 1972, door een groep die zich Zwarte September noemde. Elf IsraŽli's vonden de dood tijdens een mislukte bevrijdingsoperatie. De IsraŽlische luchtmacht nam doorgaans wraak op de terreuracties door bombardementen uit te voeren op Palestijnse doelen in JordaniŽ en Libanon, waarbij ontelbare slachtoffers vielen.

* UNRWA, United Nations Relief and Works Agency, werd in 1949 opgericht als onderdeel van de United Nations om de Palestijnse vluchtelingen op te vangen. De hulp bestrijkt de volgende gebieden: onderwijs, gezondheidszorg, humanitaire hulp, vrouwen en microfinanciering. De UNRWA richt zich specifiek op Palestijnse vluchtelingen. De United Nations High Commissioner for Refugees (UNHCR) richt zich op vluchtelingen wereldwijd.

Nieuwe nederzettingen

In 1977 werd in IsraŽl de verkiezingen gewonnen door Likoed, een samensmelting een uiterst nationalistische partij en enkele andere partijen. De aanhangers stonden in harde lijn met de Arabieren. Menachim Begin werd de nieuwe premier en liet weten nieuwe joodse nederzettingen te gaan bouwen op de Westoever en in de Gazastrook, midden in de bezette gebieden tussen de Palestijnen in.

Al vanaf 1967 waren fanatieke zionisten begonnen met het koloniseren van de bezette gebieden, die voor hen heilige bodem vormden. Ook de vorige regeringspartij, de Arbeiderspartij had de kolonisatiebeweging gesteund. Met royale subsidies, onder meer van orthodoxe joden uit de Verenigde Staten, bouwden de kolonisten de nederzettingen. Hun doel was de 'verjoodsing' van deze gebieden.

De optie 'land-voor-vrede' van VN-resolutie 242 kon nooit meer serieus worden overwogen. Vrede met de Arabieren leek nu verder weg dan ooit. De Libanese burgeroorlog 1975-1982

In samengang met de Camp David akkoorden van 1978 had Egypte de SinaÔ weer terug en IsraŽl mocht weer door het Suezkanaal en de Golf van Akaba varen. Uitgerekend Sharon, IsraŽlisch minister van Defensie en voorstander van nederzettingen op de Westoever, liet de laatste overgebleven joodse kolonisten met militaire middelen uit de SinaÔ verwijderen. De in 1978 aan de gang gezette onderhandelingen over Palestijns zelfbestuur raakten spoedig in het slop. De uit JordaniŽ getrokken PLO-strijders kwamen in 1970 en 1971 met duizenden aan in Libanon en voegden zich daar bij de 300.000 Palestijnen in de kampen in Zuid-Libanon. Vanaf toen werden de kampen als uitvalsbases gebruikt voor aanvallen op Noord-IsraŽl.

In 1975 brak er een burgeroorlog uit. Een coalitie van pro-Palestijnse links-islamitische groepen stond tegenover een front van anti-Palestijnse christelijke milities. In 1976 stuurde SyriŽ troepen die - tot veler verbazing - de christenen assisteerden.

Arafat en de PLO zagen zich gedwongen uit te wijken naar TunesiŽ. Kort daarop richtten christelijke falangisten, als represaille voor de moord op de pasbenoemde Libanese president, een bloedbad aan onder Palestijnse vluchtelingen in de kampen Sabra en Chatila, vlak bij Beiroet. Nabijgelegen IsraŽlische troepen deden niets om het bloedbad te voorkomen of te stoppen. De IsraŽlische defensieminister Sharon moest als medeverantwoordelijke aftreden. Ook Begin trad af.

De burgeroorlog had het leven gekost aan dertig- tot veertigduizend mensen. Beiroet-centrum was totaal aan flarden geschoten. Er waren ook ontvoeringen van Libanese en westerse burgers. De meeste gijzelaars werden opgepakt door radicale sjiitische Hezbollahstrijders ('mannen van God') die bewapend werden door Iran.