Het land voor 1948

Het oude IsraŽl en Juda

Omstreeks of kort na 2000 v.Chr. vestigde het Joodse volk zich in Palestina (toen ook wel Kanašn geheten) onder leiding van aartsvader Abraham, een herdersvorst afkomstig uit het Sumerische Ur. Het heilige boek van de joden, de Tenach, verhaalt hoe zijn nageslacht later toevlucht zocht in Egypte. Dit moet rond 1750 v.Chr. zijn geweest, en hongersnood was de vermoedelijke oorzaak van het vertrek.

In de dertiende eeuw v.Chr. was het joodse volk in Egypte tot slavernij gedwongen. De profeet Mozes wees de joden volgens het boek Exodus de weg terug naar Kanašn, 'het beloofde land'. Het lukte de joden om het verzet van de Kanašnieten te breken en het land in bezit te nemen. De kuststrook bleef echter in handen van een klein volkje, de Filistijnen. Dit was omstreeks 1200 v.Chr.

Aangezien het Joodse volk van buitenaf werd bedreigd, met name van de Filistijnen, werd er kort voor het jaar 1000 v. Chr. een koningschap in gesteld. De eerste koning was Saul, de tweede David en de derde Salomon.

In 930 v.Chr. weigerden de tien Joodse stammen in het noorden van Palestina het gezag te erkennen van de zoon van koning Salomon. Zij stichten een eigen koninkrijk, IsraŽl, met Samaria als hoofdstad. Jeruzalem bleef de hoofdstad van het zuidelijke gedeelte, dat Juda was genoemd. Door deze verdeeldheid werd het joodse volk een gemakkelijke prooi van de AssyriŽrs. Zij voerden in 721 v.Chr. het grootste deel van de bevolking van IsraŽl weg. Meer dan een eeuw later waren het de BabyloniŽrs die het koninkrijk Juda veroverden.

De mensen van Juda bleven tijdens de Babylonische gevangenschap hun godsdienst trouw. Van de Perzische koning Cyrus, die Babylon veroverde, mochten de joden in 539 v.Chr. naar hun land terugkeren. Zij bleven echter onderdanen van vreemde heersers: eerst de Perzen, toen de Grieken en ten slotte de Romeinen.

Het Joodse volk onder Rome

Het volk van het Oude Testament woonde niet alleen in de provincie Juda maar ook in de diaspora in de Hellenistische wereld. Sinds 167 v.Chr. genoten de joden in Juda een vrijwel onafhankelijk bestaan. Dit duurde totdat Pompeius in 63 v.Chr. Juda veroverde. Daarna was er onrust tussen verschillende partijen.

Steeds sterker leefde de verwachting van de komst van een Messias, een verlosser die de joden zou bevrijden van vreemde dominantie, en die de weg zou wijzen naar het rijk van God. In de Tenach was zijn komst voorspeld. Toen die zich aandiende in de persoon van Jezus Christus, werd deze door aanhangers weliswaar als zodanig herkend, maar veel joden hechtten daar geen geloof aan. Zij bleven uitkijken naar een duurzame politieke verlossing, om onder de onderdrukking van de Romeinse heerschappij uit te komen.

De regerende macht werd steeds minder joods en steeds meer Romeins. In de eerste twee eeuwen van de christelijke jaartelling voerden de joden drie grote oorlogen tegen Rome. Alle pogingen om zich van het Romeins bestuur te bevrijden mislukten.

Steeds massaler trokken de joden weg uit Palestina en verplaatste zich naar de diaspora. Ze zwermden uit over diverse delen van het Romeinse Rijk en het zou tot het jaar 1948 duren voordat er opnieuw een onafhankelijke joodse staat kwam.